Gevangenis
Misdaad en straf bij de VOC
De rechtspraak aan boord van de VOC-schepen
was tijdens de reis in handen van de scheepsraad (schipper, scheepsofficieren
en kooplieden). Vervolging gebeurde door de provoost. In vlootverband werd
recht gesproken door de Brede Raad (admiraal-commandeur, opperkoopman,
twee kooplieden en twee schippers). De fiscaal van de vloot trad op als
aanklager (La Bree, p. 15).
In artikel 116 van de artikelbrief
van 1617 was voorgeschreven dat
(...) wie een
mes treckt met toorn, om yemand leet te doen ofte questsen, zal met een
mes door syn handt aende mast genagelt worden ende aldaer soo lange staen
tot dat hy tzelve doortreckt; ende yemandt questsende zal gekielt worden,
verbeurende niettemin ses maende gagie
(Hoogenberk, p. 286).
Wie iemand met opzet (in toorn) met
een mes wil verwonden, zal met datzelfde mes door zijn hand heen aan de
mast van het schip worden vastgenageld tot hij zichzelf kan verlossen door
het mes door zijn hand door het mes heen te trekken. Als er tijdens het
messengevecht werkelijk bloed is gevloeid, wordt de dader gekielhaalden
verliest hij zes maanden gage. Bij het kielhalen werd de veroordeeld
door middel van een touw rond de middel driemaal onder de kiel van het
schip doorgetrokken. De schelpen van zeepokken en andere schaaldieren die
zich op de romp van het schip vastzetten, sneden de huid van de veroordeelde
aan flarden wanneer deze onder het schip werd doorgehaald, wat het spektakel
alleen maar ten goede kwam als er ook haaien in de buurt waren. Daarnaast
bestond het risico dat de gestrafte zijn schedel tegen de kiel verpletterde
(Bruijn, Lucassen, p. 104-105).
Abraham de Vries uit Antwerpen
is een interessant voorbeeld.
Hij diende tussen 1614 en 1615 als
soldaat op het schip ‘Het Wapen van Amsterdam’. Op 30 maart 1615 werd hij
door de Brede Raad van de vloot veroordeeld wegens vechten aan boord: tijdens
een vechtpartij verwondde hij met een degen Pieter Bruijn uit Limburg
aan de arm. Omdat Pieter Bruijn in het voordeel van Abraham de Vries is
komen pleiten voor een minder erge straf, werd deze door de Brede Raad
genadevol behandeld. Hij werd wel met zijn hand aan de mast genageld, maar
het kielhalen werd vervangen door van de ra lopen en hij verloor
maar vier i.p.v. zes maanden gage. Hij moest wel de kosten voor de verzorging
van de gewonde Pieter Bruijn aan de barbier terugbetalen (Sententie, resolutie
en ordonantieboeck van ‘Wapen van Amsterdam’, 9 mei 1614 - 2 december 1615,
folio 173).
Het 'van de ra lopen' is een
straf waarbij de veroordeelde met de voeten werd vastgebonden aan een touw,
waarvan het andere uiteinde over de ra werd geworpen. De veroordeelde werd
boven zee omhoog getrokken en op bevel werd het touw losgelaten. Door de
gewichten die aan zijn lichaam waren bevestigd, zonk de veroordeelde heel
snel. Wanneer hij diep genoeg gezonken was en op het punt stond te verdrinken,
werd de veroordeelde weer opgetrokken om daarna dezelfde procedure nog
twee keer te ondergaan. Op het dek werd de veroordeelde daarna meestal
nog gelaarsd waarbij hij een groot aantal slagen op het natte achterwerk
te verduren kreeg. De meesten konden dit lichaamsdeel een tijd lang niet
meer gebruiken om op te gaan zitten (Bruijn, Lucassen, p. 104-105).
Abraham de Vries bleek een zware
jongen te zijn. Vier maanden na de vorige veroordeling werd hij op 16 juli
1615 door de krijgsraad en de Brede Raad veroordeeld wegens het stelen
van brood. Hij bekende nog meerdere diefstallen uit scheepskisten die hij
samen met soldaat Carel Soetgens uit Mechelen had gepleegd (Sententie,
resolutie en ordonantieboeck van ‘Wapen van Amsterdam’, 9 mei 1614 - 2
december 1615, folio 185). De Vries werd tot de strop veroordeeld maar
onder druk van de smeekbeden om genade van het scheepsvolk zette de Brede
Raad het vonnis om in strenge tortuur.
Soetgens kreeg een milde straf omdat hij door Abraham de Vries tot het
stelen was gedwongen. Hij moest drie keer van de ra lopen en werd daarna
gelaarsd, als exempel voor ander volk
(Sententie, resolutie en ordonantieboeck van ‘Wapen van Amsterdam’, 9 mei
1614 - 2 december 1615, folio 196 & folio 198).
Na deze episode heeft Carel Soetgens
blijkbaar van zijn straf geleerd want een paar jaar lateris hij gepromoveerd
tot adelborst. Hij maakte deel uit van het leger dat met Goeverneur-Generaal
Jan Paietersz. Coen naar Banda voer om daar de plaatselijke bevolking uit
te moorden. (Monsterrolle ... , folio 123). Soetgens moet een bijzonder
goed gestel hebben gehad, want in 1632 is hij nog steeds in VOC-dienst
en reist bij van de Molukken naar Batavia (Lijste ..., folio 357).
Minder zware vergrijpen werden bestraft
door boetes en verbeurd verklaring van bezittingen.
Gerrit Roecx uit Antwerpen werd
op het ‘Wapen van Amsterdam’ met een boete gestraft wegens het vergokken
van zijn rantsoen boter en het onrechtmatig opeisen van extra rantsoenen
boter (Sententie, resolutie en ordonantieboeck van ‘Wapen van Amsterdam’,
9 mei 1614 - 2 december 1615, folio 167).
In het sententiënboek van de
vloot, uitgereed door de Oude Oostindische Compagnie (één
van de voorlopers van de VOC, ook wel Voorcompagnieën
genoemd) in 1598 tijdens de zogenaamde ‘tweede schipvaart’ naar Indië,
blijkt dat de bemanningsleden die zich misdragen direct de laan uitgestuurd worden.
Meer dan een maand voor het vertrek
van de vloot uit de Republiek op 1 mei 1598 werden er al zes opvarenden
wegens diefstal voor de scheepsraad gebracht en in de ijzers geslagen tot
breder examijnatije. De verdachten waren
een hoogbootsmansmaat en 5 bootsgezellen, waaronder Jan Jeleyssen van
Antwerpen.
Op 27 maart 1598 werden de verdachten
ondervraagd met betrekking tot de feiten die hen ten laste werden gelegd.
In Durkendam was de groep een aantal huizen binnengedrongen waarbij ze
50 eenden doodden en opaten, en kleding en een scheepszeil stalen. Tijdens
de ondervraging bleek ook dat ze zonder toesteming van boord waren gegaan.
De zes bekenden schuld en werden
veroordeeld. Ze moesten het schip onmiddellijk verlaten en mochten de reis
niet meemaken. Voorts moesten ze het gestolen goed vergoeden. Binnen de
drie dagen moesten ze samen drie ponden Vlaams bij elkaar weten te zoeken,
zoniet zouden hun goederen aan boord geconfisceerd worden en voor de mast
per opbod worden verkocht om met de opbrengst de benadeelden te vergoeden
(Sententiënboek van de vloot, uitgereed door de Oude Oostindische
Compagnie in 1598).
Referenties:
Brijun (J.), Lucassen (L.) (red.) Op
de schepen der Oost-Indische Compagnie. Vijf artikelen van J. de Hullu
ingeleid , bewerkt en voorzien van een studie over de werkgelegenheid bij
de VOC, Groningen, Wolters-Noordhoff, 1980, 174 p.
Hoogenberk (H.), De rechtsvoorschriften
voor de vaart op Oost-Indië, 1595-1620, Utrecht, 1940.
Lijste der vertreckende persoonen
met t’schip t’ Zeepaert, naar Battavia, ultimo augustus 1632, in: Register
van brieven en papieren overgekomen in 1633, folio 357.
Monsterrolle van alle de persoonen
soo officieren, bootsgesellen, soldaten, jongens, gevangene Javanen ende
alle andere bevonden na gedane monsterringhe op de vloot van d’edele heer
generaal Coen selff in persoone vertreckende met deese macht inne waerts
aene op den tocht van Banda, in: Register
van brieven en papieren overgekomen in 1623, folio 123-151.
Sententie, resolutie en ordonantieboeck
van ‘Wapen van Amsterdam’, 9 mei 1614 - 2 december 1615, Register
van brieven en papieren overgekomen in 1616, inv. nr. 1059, folio 153-200.
Sententiënboek van de vloot, uitgereed
door de Oude Oostindische Compagnie in 1598, Algemeen Rijksarchief Den
Haag, Eerste afdeling, Archief
van de voorcompagnieën 1.04.01, inv. nr. 40