De Kerk in Oost-IndiŽ

Over predikanten en ziekentroosters

Voor het zielenheil van haar personeel en van de inheemse bevolking stuurde de VOC predikanten uit naar IndiŽ. FinanciŽle moeilijkheden in Europa of lust naar avontuur zouden de drijfveren zijn geweest om als geestelijke voor de Compagnie naar IndiŽ te trekken. De Compagnie nam deze geestelijken in dienst en trad als dusdanig op als kerkelijke overheid; de kerk in IndiŽ kan daarom beschouwd worden als een vorm van Staatskerk, onder controle van een handelsonderneming.
Predikanten waren dienaren van de Compagnie en eigen initiatief was verboden. In het kerkbestuur was namens de VOC een politiek commissaris aanwezig en beslissingen van de kerkeraad moesten altijd ter goedkeuring worden voorgegeld aan de overheid. Een predikant kon het zich ook niet veroorloven om kritiek te uiten op het gedrag van de VOC ten aanzien van de inheemse bevolking omdat hij dan ontslagen werd.

Ziekentroosters stonden een trapje lager in de hiŽrarchie dan de predikanten. Ze hadden meestal geen opleiding genoten. Het grootste deel van de Hollandse ziekentroosters had er op het vasteland al een baan in een of ander ambacht opzitten. Om als ziekentrooster in dienst van de Compagnie te treden moesten kandidaten eerst een lees- en zangexamen afleggen bij de classis waartoe een Kamer behoorde. In IndiŽ moesten ze immers enkel preken kunnen voorlezen en psalmen voorzingen. Zťlf preken schrijven was verboden.

Een voorbeeld van een wat uit de hand gelopen carriŤre is deze van Charel de la Dosse uit Duinkerken. Hij was als velen als soldaat in dienst van de VOC getreden. Op 30 september 1641 vroeg hij als ziekentrooster de toelating aan de kerkeraad van Batavia om deel te nemen aan het examen voor predikant. De kerkeraad stond hem dit toe op 7 oktober en een paar weken later, op 29 oktober, slaagde hij voor dit examen. In november 1641 werd hij in die functie benoemd en ontving hij een salaris van 90 gulden per maand.
Een half jaar later, op 26 mei 1642, vertrok hij per schip naar Coromandel in India waar hij op 11 juli aankwam. Hij stond er bekend als een zeer geleerd man maar zijn weinig stichtelijke levenshouding leidde tot herhaalde klachten. In een brief van 4 april 1644 klaagde de kerkeraad van Paliacatte "over den onbehoorlijcken ommegangh van de la Dosse en ze vroeg de kerkeraad van Batavia dat ze van een ijveriger, vroomer en stichtiger dienaer mochten werden versien, die de cudde meer liefde mocht toedraegen".
In hetzelfde jaar werd de la Dosse geschorst en in 1645 naar Europa teruggezonden.

Zielenheil

Duizenden zeelieden en soldaten hebben het leven gelaten in hun dienst voor de Compagnie. Sommigen zagen voor hun overlijden de kans om bij testament hun ziel op te dragen aan hun Schepper, en hun aardse goederen aan familie of vrienden.
De testamenten vormen een interessante bron over het materiŽle bezit van het VOC-personeel. Overdenkende de broosheyt des menschelijkes leven zijn enkele dienaren erin geslaagd vlak voor hun dood hun uijterste wille op papier te laten zetten. De testamenten van VOC-scheepspersoneel zijn meestal achteraan in de scheepssoldijboeken te vinden; artikel 105 van de artikelbrief uit 1617 schreef voor dat

alle oppercoopluyden sullen versorgen, dat op haer respective schepen alle des volcx testamenten perfectelyck in een boeck werden geschreven ende ten minsten by twee getuygen behalve den schryver onderteyckent.

Deze testamenten zijn overigens opgesteld in een stijl die in de zeventiende eeuwse Nederlanden typisch was voor dit soort documenten.

De regelgever zorgde er ook voor dat "van gelycken sullen oock de cleederen, juweelen, geld, obligatien ende alle andere goederen vanden overleden behoirlyck geinventariseert ende int zelve boeck geregistreert ende de boecken jaerlycx met verscheyden schepen overgesonden werden" (Artikel 106)
Een hedendaagse onderzoeker kan daardoor een idee krijgen van de materiŽle welstand van de Compagniesdienaren. De stervende kon zijn aardse goederen verdelen over familie en werkmakkers. De lonen die hij nog te goed had kon hij ook verdelen, maar werden pas uitbetaald als alle rekeningen in de Nederlanden waren aangekomen. De goederen die de overledene bij zich had en die niet per testament aan iemand waren toegewezen, werden 'voor de mast' verkocht aan de meest biedende, zoals was voorgeschreven in artikel 108 van de artikelbrief van 1617:

Sulcx, dat binnen scheepsboort ofte aen landt geen van des affgestorven goederen sullen werden vercocht, anders als t'gene tot des affgestorven lyve behoirt sal hebben, twelck voor den mast den meest biedende vercocht zal werden, voor welcke vercocht goet de coopers debiteurs ende den overleden op syn reeckeninge crediteur zal gemaect worden.

Een aantal testamenten en goederenlijsten van VOC-dienaren is hieronder te bekijken:


Focus in dit onderdeel
  • Een nieuwe vormgeving voor de website!
  • B@tavia is online sinds 1996.
  • Contact
  • Home